Posted by: proregno | August 23, 2021

RIDDERBOS OOR DIE BELANGRIKHEID VAN DIE PUBLIEKE EREDIENS

DIE BELANGRIKHEID VAN DIE PUBLIEKE EREDIENS

Inleiding
Vandat die covid-virus met die gepaardgaande covid-regulasies deel van ons wêreld geword het, het dit natuurlik ook deel van die kerklike lewe geword. Gelowiges  verskil oor die saak, soms hewig, nie oor die werklikheid van siektes en pandemies nie, maar veral hoe gelowiges en kerke moet optree in sulke tye.  Die ware gelowige en ware kerk moet egter altyd aanhou vra na die wil van die Here, in alle tye, in tye van gesondheid of siekte (sien HK Sondag 9 en 10).

Een van die wesentlike vrae is oor die ‘publieke eredienste’, menende die eredienste wat Sondae plaasvind, ook in pandemie tye, die gemeentelike samekomste (Hebr. 10:25). Ek gaan nie alles herhaal wat reeds geskryf is daaroor hier op Pro Regno oor die onderwerp nie, u kan dit self hier gaan lees.  Sien ook hierdie belangrike verklaring, Kerk en Covid-19, as studiebron oor die onderwerp, saam met al die bronne wat ek reeds na verwys het in bogenoemde skakel.

Graag voeg ek hierdie bron by vir alle gelowiges om opnuut te besin oor ‘erediens’ en ‘samekomste’ en wat daar behoort plaas te vind, sodat dit ons sal help om as gelowiges saam en afsonderlik te besin oor die aanbidding van God, hier en nou. Ja, die ‘ere-diens’ aan God vind plaas in ons totale lewe, maar ook en veral waar Hy die ‘samekomste’ beveel het op die rusdag, waar prediking, kerkregering, sakramente, tug toepassing, gemeenskap van die heiliges, ens. ‘saam’ moet plaasvind, gesamentlik in gees en liggaam, in alle tye en omstandighede, soos ons dit volgens die Skrif bely in NGB artikels 27-35.

EREDIENS BY PAULUS

deur dr. Herman Ridderbos

(Bron: Paulus: Ontwerp van zijn theologie, 1973, p. 537-543. Beklemtonings, opskrif en subopskrifte bygevoeg.  Sien hier vir gratis bronne uit die pen van dr. Ridderbos.)

Ten slotte kan gevraagd worden welke plaats de eredienst inneemt in het geheel van Paulus’ ecclesiologische uitspraken en welke betekenis daaraan moet worden toegekend voor de opbouw der gemeente.

1) Die hele lewe is ‘n erediens aan God

Van principieel belang is wel, dat waar Paulus direct of indirect van de samenkomsten der gemeente gewag maakt, hij daarover niet in sacrale begrippen spreekt. Tweemaal gebruikt hij de term “eredienst”178, eenmaal ter aanduiding van de oudtestamentische Gods verering, Rom. 9 : 4, een­maal ook van het leven van de nieuwtestamentische gelovigen, Rom. 12 : 2. Maar hij past haar niet toe op de samenkomsten, maar op de dagelijkse levenswandel van de gemeente. En hetzelfde geldt van de offer-terminologie.

Terecht is er de aandacht op gevestigd, dat na het door Christus gebrachte offer, de priester als pontificale bemiddelaar tussen God en mensen geheel ontbreekt in de wereld van het Nieuwe Testament179. Heel het leven is een geestelijke eredienst, iedere gelovige een priester, Rom. 12 ; 1, vgl. ook Rom. 1:9; Phil. 3 : 3; 2 Tim. 1:3. Voorzover bij deze offerdienst priesterlijke leiding gegeven moet worden, bestaat deze in de apostolische voorlichting en vermaning, hoe het geeste­lijke offer der gemeente Gode welgevallig kan zijn, Rom. 15 : 16, vgl. ook Phil. 2:17. Hiermee is een principiële verandering t.a.v, het Oude Testa­ment ingeluid. Het Nieuwe Testament kent geen heilige personen, die plaatsbekledend voor heel het volk Gods de dienst van God vervullen, evenmin heilige plaatsen en tijden of heilige handelingen, die een afstand scheppen tussen de cultus en het leven van iedere dag en op iedere plaats. Alle leden van de gemeente hebben toegang tot God, Rom. 5 : 2, deel aan de Heilige Geest; heel het leven is (ere)dienst aan God, er is geen “profaan” gebied180.

2) Die samekomste van die gemeente in eredienste is baie belangrik

Anderzijds heeft voor Paulus de samenkomst der gemeente toch een bepaalde en zeer belangrijke betekenis. In haar vindt, de openbaring van de gemeente plaats in haar onderscheidenheid van de wereld; in het ge­meenschappelijk deel hebben aan het éne brood wordt zij openbaar als het lichaam van Christus, 1 Kor. 10 : 17. Speciaal in haar samenkomsten moet de gemeente zich ook haar priesterlijke en profetische taak ten gunste van en, in zekere zin, plaatsbekledend voor de wereld bewust zijn: in haar voorbede voor alle mensen, 1 Tim. 2 : 1 e.v., 8, in, het toonbeeld zijn voor ongelovigen en toehoorders, dat God met haar is, 1 Kor. 14 : 24, 25. Daarom moet in deze samenkomsten ook de aanbidding, de profetie, het belijden, de prediking van het Woord Gods plaats hebben.

Dit schept niet een nieuwe afstand tussen het leven in de cultus en dat van alle dag, dat immers óók en juist cultus moet zijn. Maar in deze samenkomsten wordt het eigen karakter van de gemeente in de wereld exemplarisch openbaar, gelijk ook de inwoning van Christus in zijn gemeente manifest wordt door de verkondiging van het evangelie, de viering van het avond­maal, de in zijn naam toegezegde belofte en geproclameerde zegen, vgl. bijv. 2 Kor. 1 : 20; Kol. 3 : 16; 2 Kor. 13 : 13 e.a.181

3) Die ampsdraers van die samekomste

Wat deze samenkomsten182 der gemeente nu meer in het bijzonder betreft, het is er ver vandaan, dat wij dienaangaande bij Paulus uitgebreide inlichtingen of voorschriften zouden ontvangen. Hij schrijft er in de ons bewaarde brieven incidenteel over, veelal naar aanleiding van bepaalde misstanden en met veronderstelling van allerlei, dat ons dikwijls niet duide­lijk is en waarover wij in ieder geval gaarne méér zouden willen weten.

Zo is al aanstonds de vraag, of en in hoeverre deze samenkomsten der gemeente onder leiding van bepaalde daartoe aangewezen personen stonden, op grond van de paulinische brieven moeilijk te beantwoorden.

Deze vraag hangt uiteraard nauw samen met die van de aanwezigheid van ambtsdragers in de gemeente in het algemeen. Gaat men uit van plaatsen als 1 Kor. 11 : 17 e.v., dan blijkt hier van een vaste orde maar zeer weinig, eerder schijnt er een tekort aan leiding te zijn. En ditzelfde geldt van 1 Kor. 14, waar Paulus de gemeente- moet voorhouden, dat God toch geen God is van wanorde, vs. 33. Anderzijds is dit alles stellig geen bewijs, dat er in de samenkomsten der gemeente, óók in de, in dit opzicht blijkbaar tot spiritualisme en losbandigheid neigende, gemeente te Korinthe, in het algemeen geen. leiding was. Als Paulus elders deze ge­meente aanspoort zich aan bepaalde personen te onderwerpen, die in haar midden een bijzondere plaats innemen, 16:13 e.v., is moeilijk aan te nemen, dat deze leiding uitsluitend buiten de vergaderingen der gemeente plaats vond en niet ook op de inrichting van deze vergaderingen invloed had183. Evenzo veronderstellen de voorschriften ten aanzien van het spreken in tongen, het profeteren enz., dat men bepaalde regels in acht moest nemen, iets dat zonder leiding zich moeilijk laat denken184.

Bij dit alles mogen we stellig meer verondersteld achten dan met zovele woorden wordt uitgesproken. Toch blijkt uit de wijze, waarop Paulus zich ook in dit opzicht steeds tot de gemeente en niet tot enkele leiding­gevenden of ambtsdragers richt, hoezeer de samenkomsten der gemeente niet een hiërarchische of door enkele „heilige” personen te vervullen aan­gelegenheid zijn, maar een voluit gemeentelijk karakter dragen.

Hiermee is uiteraard niet gezegd, dat deze samenkomsten enkel be­tekenis zouden hebben als onderlinge gemeenschapsoefening en niet óók en vóór alles als „liturgie” en Godsverering, Het tegendeel is het geval. Hoewel ook hier meer indirecte dan directe gegevens zijn, valt op het volgende te wijzen.

4) Die publieke verkondiging van God se Woord in die vergadering van die gemeente

De verkondiging van het Woord in de vergadering der gemeente. De gemeente heeft niet alleen haar ontstaan te danken aan de prediking van het evangelie, maar ook haar voortbestaan hangt af van de ongerepte bewaring daarvan, vgl. 1 Kor. 15 : 1, 2; Kol. 2 : 7; 1 Tim. 6 : 14 e.a. Dat speciaal de  gemeentevergadering de plaats was, waar de voortzetting van de prediking in haar verschillende gestalten plaats vond, ligt voor de hand en blijkt ook uit de directe uitspraken van de apostel. Zo beveelt hij, dat zijn eigen brieven in de gemeente-vergadering worden voorgelezen, 1 Thess. 5 : 27; Kol. 4 : 16.

Het daarvoor gebruikte woord185 is terminus technicus voor de cultische voorlezing van het Oude Testament in de synagoge, vgl. Luc. 4 : 16; Hand. 13 : 15, 27; 15 : 21; 2 Kor. 3 : 14, 15. Door deze terminologie ook op de voorlezing van zijn eigen brieven toe te passen, kent hij aan het apostolische woord niet alleen hetzelfde gezag toe als aan de oudtestamentische geschriften (zoals hij ook in 1 Tim. 5:18 een aanhaling uit het Oude Testament combineert met een woord van Jezus en het geheel inleidt met de bekende formule: “want de Schrift zegt”), maar wil hij ook, dat ze als zodanig in de gemeentevergadering functioneren.

Elders heeft deze „voorlezing” blijkbaar betrekking op de voortgaande lezing van het Oude  Testament in de samenkomsten der gemeente186, 1 Tim. 4:13, gelijk Paulus ook, kennelijk opnieuw met het oog op de Ieerwerkzaamheid in de gemeentevergadering, van de door God ingegeven Schrift van het Oude Testament zegt, dat zij nuttig is tot lering, weerlegging enz., 2 Tim. 3 : 16, vgl. Rom. 15 : 4; 1 Kor. 9 : 9, 10. Het zal dan ook in aansluiting aan deze „lezing” geweest zijn, dat, evenals in de synagoge, vgl. Hand. 13:15; Luc. 4 : 20, de gemeente werd vermaand en geleerd. Speciaal in de Pastorale brieven komt dit alles duidelijk naar voren. Timotheus moet zich, in de afwezigheid van Paulus, toeleggen op de voorlezing, de vermaning, het Ieren, blijkens het herhaalde lidwoord als vaste bestanddelen van zijn werk in de gemeentevergadering bedoeld, waarop hij zich zorgvuldig moet voorbereiden187.

Daarbij zal onder de „vermaning” niet slechts het kritisch-paraenetische woord moeten worden verstaan, maar al wat tot religieuze opwekking en opbouw kan dienen; „lering” ziet vooral op de overlevering, alsmede op de uitlegging en de toepassing daarvan op het heden, vgl. Rom. 15 : 4. De lezing van de Schrift en het onderwijs in de overlevering had de gemeente des te meer nodig naarmate de dwaling opkwam, die zich ook op de Schrift beriep, 1 Tim. 1 : 7. Op allerlei wijze wordt in de Pastorale brieven op „deze arbeid in het Woord en in. de leer”, 1 Tim. 5 : 17 aangedrongen, vgl. 1 Tim. 4 : 11; 6 : 3; 2 Tim. 4 : 2, met gebruikmaking van verschillende terminologie, vgl. 2 Tim. 2 : 14, 15; Tit. 3 : 1, waarbij telkens ook de samenkomst der gemeente als de plaats van deze werkzaamheid wordt verondersteld, vgl. 1 Tim. 4 : 16; 2 Tim. 2 : 14.

In de oudere brieven wordt meer aandacht besteed aan de niet ambte­lijke profetische uitingen. Ook hier gaat het om de voortgaande werking van de verhoogde Heer door zijn Geest in de gemeente, zij het ook, dat niet alles wat zich als charisma van de Geest aandiende aanvaard moest worden, doch veeleer op zijn waarde en echtheid beoordeeld moest worden, 1 Thess. 5 : 21, vgl. Rom. 12 : 6. Naarmate de gave van de profetie en van het leren zich meer en meer tot bepaalde personen be­perkte, zullen dezen het ook geweest zijn, die in de gemeente-vergadering het Woord Gods vertolkten, zoals uit benamingen als: onderwijs geven in het Woord, Gal. 6 : 6, arbeiden in het Woord en de leer, 1 Tim. 5 : 17 blijkt. Toch blijft het niet aan een bepaald ambt gebonden „vrije woord” mede de vergadering der gemeente kenmerken, vgl. Eph. 4 : 29; Kol. 3 : 16; 1 Tim. 2 : 8 e.v. Maar deze vrijheid zal meer en meer onder leiding van bepaalde personen zijn uitgeoefend.

5) Die bediening van die sakramente in die samekoms/vergadering van die gemeente

Behalve van het in zijn verschillende gestalten tot de gemeente uitgaande Woord Gods, spreekt Paulus dan verder van de viering van het avondmaal als telkens terugkerend gebeuren in de vergadering van de gemeente. Ook hier wordt in de brieven meer verondersteld dan voorge­schreven. Hoe dikwijls het avondmaal gevierd werd of naar het oordeel van de apostel gevierd moest worden, is uit de wijze, waarop hij er over schrijft, niet meer met zekerheid af te leiden, vgl. 1 Kor. 11 : 25, 26, al krijgt men hier wel de indruk, dat de viering van het avondmaal in nauw verband met een daaraan voorafgaande niet-cultische maaltijd plaats vond en dus wellicht tot de vaste bestanddelen van de gemeente-vergadering behoorde188. Evenmin is de wijze waarop het avondmaal plaats vond en het anamnese-element nader tot uitdrukking werd gebracht, bijv. door het reciteren van bepaalde stukken uit de traditie, in de brieven van Paulus omschreven. Wel gevoelt hij blijkbaar behoefte aan meer regel in de gemeente te Korinthe. Doch hij bewaart deze nadere verordeningen, totdat hij persoonlijk bij haar zal zijn, 1 Kor. 11 : 34.

Wat nog de bediening van de doop aangaat, deze lijft in de gemeente in en zal daarom stellig ook in de tegenwoordigheid der gemeente hebben plaats gehad, vgl. 1 Kor. 12 : 13. Dat uit Rom. 6 : 4 te concluderen zou zijn tot een doop door onderdompeling189, valt o.i. niet zonder meer te stellen. Immers is de doop geen symbool van het ondergaan in de dood en van de opstanding tot het leven 190. De doop symboliseert bij Paulus reiniging en afwassing, 1 Kor. 6 : 11; Eph. 5 : 26. Dit neemt niet weg, dat het aldus bedoelde “waterbad” in de vorm van een onderdompeling kan hebben plaats gevonden, hetgeen het woord „dopen” oorspronkelijk ook betekent. Ook is de doop bij Paulus de doop in Christus en aldus de toeëigening van het in Christus gerealiseerde heilsgebeuren en kan men in die zin bij een plaats als Eph. 5 : 14 aan een doop-lied denken191.

Door wie de doop geschiedde en bij wie de beslissing lag over de toe­lating tot de doop, komt niet ter sprake. Merkwaardig is wel, dat Paulus van zichzelf zegt, dat Christus hem niet gezonden heeft om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen, 1 Kor. 1 : 17 en dat hij er zich min of meer op beroemt van de Korinthiërs slechts enkelen gedoopt te hebben, 1 Kor. 1:14. Hierin is niet een geringschatting van de liturgische handeling te zien en wordt de doop niet als bijzaak tegenover het evangelie gesteld192. Paulus wil op deze wijze slechts aan de partijgangers in Korinthe ieder argument ontnemen om zich als Paulus-partij naar hem te noemen. Toch blijft het opmerkelijk, dat hij de opdracht het evangelie te verkondigen en te dopen uitdrukkelijk van elkaar scheidt. Het dopen behoort dus blijkbaar tot de competentie van de gemeente zelf, zo spoedig zij gesticht is, subs. van de door haar daartoe aangewezen personen.

6 Sang in die gemeentelike samekomste 

Behalve de dienst des Woords in zijn verschillende gestalten van lezing, profetie, leer en de bediening van doop en avondmaal vinden wij in de paulinische brieven als element van de samenkomsten het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen vermeld, Kol 3 : 16, vgl. Eph. 5:19. Hoewel wij over de inhoud en het karakter van deze liederen niet nader geïnformeerd zijn, gaat het hier blijkbaar toch over in de gemeente-vergadering te zingen liederen, hetzij door een afzonderlijk lid voorbereid en in de gemeente voorgedragen, vgl. 1 Kor. 14 : 26, 15, hetzij, hetgeen niet minder aannemelijk is, door de gehele gemeente gezongen. De aanduidingen „psalm”, „lofzang” en „geestelijk lied” geven voor een nadere onderscheiding niet veel houvast, tenzij men bij „psalmen” aan de oudtestamentische psalmen wil denken, waarvoor echter geen doorslag­gevende argumenten zijn aan te voeren en waartegen ook wel bedenkingen zijn in te brengen193.

Dat wij in plaatsen als Eph. 5 : 14; Phil. 2 : 6 e.v.; 1 Tim. 3:16 met voorbeelden of brokstukken van het christelijk lied te doen hebben, zoals veelal wordt aangenomen, is niet onwaarschijnlijk, al zullen wij hier met voorzichtigheid moeten oordelen, omdat directe aan­wijzingen daarvoor ontbreken. Ditzelfde geldt voor andere uitdrukkingen, formules, stereotype wendingen, waarin men liturgische elementen meent te kunnen aanwijzen, als bijv. de groetzegen, waarmede Paulus zijn brieven begint en waarin een aanvangsformule van de samenkomsten der gemeente gezien zou kunnen worden194; evenzo de op dit praescript in bijna alle paulinische brieven volgende dankzegging en voorbede; ook doxologieën en eulogieën; niet-griekse uitdrukkingen als Maranatha, 1 Kor. 16 : 22; Abba, Gal. 4 : 6; Rom. 8 : 15; Amen, 2 Kor. 1 : 20; 1 Kor. 14 : 16 e.a.

Dat dit laatste metterdaad een vorm van instemming van de zijde der gemeente inhield, blijkt uit de aangehaalde plaatsen. Verder kan men in 1 Kor. 16 : 20-24 toespelingen vinden op de liturgie van het avond­maal 195, valt ook te wijzen op de herhaaldelijk bij Paulus genoemde „heilige kus”, Rom. 16 : 16; 1 Thess. 5 : 26; 2 Kor. 13 : 12 196. Dit alles uitvoerig na te gaan, waarbij ook de oorsprongen van de gemeentelijke geloofsbelijdenis ter sprake moeten komen, alsmede het gemeentelijk gebed, de plaats van het Onze Vader, de viering van de eerste dag der week, etc, behoort niet tot het onderzoek naar de inhoud van Paulus’ prediking197.

7) Konklusie: die geestelike gemeenskap met Christus moet tot uiting kom in die plaaslike gemeentes wat fisies saamkom in eredienste om God te aanbid (van rusdag tot rusdag, tot die wederkoms-slc)

Uit al het bovengenoemde kan echter blijken, welk een be­langrijke betekenis ook bij Paulus de samenkomsten der gemeente hebben voor haar opbouw. Hoezeer de „liturgie” vóór alles als een heel het leven omvattende geestelijke eredienst aan God gezien moet worden, Rom. 12 : 1-2, dit neemt niet weg, dat de inwoning in en de gemeenschapsoefe­ning van Christus met de gemeente in haar eenheid als vergaderde ge­meente haar concentratie-punt en bijzondere realisering vinden.

_______________________
Eindnotas

178 latreia.

179 P. A. van Stempvoort, Decorum, orde en mondigheid in het Nieuwe Testament, 1956, p. 11; zie ook Ph. Meaoud, l’Ëglise et ses ministères selon Ie Nouveau Testament, 1949, p. 16 e.v.

180 Zie hiervoor ook het opstel van Kasemarm, Gottesdienst im Alltag der Welt, in: Exegetische Versuche etc. II, 1964, p. 198 e.v.

181 Zie voor de betekenis van de „liturgie” in de nieuwtestamentische gemeente ook Kasemann, Amt und Gemeinde im N.T., in: Exegetische Versuche etc. I, p. 121, 122.

182 sunerxesthai, al dan niet met epi to auto, 1 Kor. 11:17, 18, 20, 33, 34; 14:23, 26.

183 Vgl. ook Bultmann, Theol.., p. 455.

184 Zie ook G. Delling, Der Gottesdienst im N.T., 1952, p. 41.

185 anaginoskoo, anagnosis.

186 Zie ook J. L. Koole, Liturgie en ambt in de apostolische kerk, 1949, p. 29 e.v.; vgl.. echter ook, meer terughoudend, Delling, a.w., p. 89.

187 Vgl. ook W. Lock, The Pastoral Epistles,1959, p. 53.

188 Zie echter ook Delling, a.w„ p. 133, die in de maaltijd van 1 Kor. 11 een feestelijke zaak ziet, hetgeen z.i. niet voor „eine sehr haufïge Wiederholung desselben” zou pleiten. Doch een gemeenschappelijke wekelijkse maaltijd als gemeenschapsmaal laat zich gemakkelijk denken.

189 Zoals Delung meent, a.w., p. 12113. Hij verwijst ook naar Kol. 2 : 12 en 1 Kor. 10:2.

190 Vgl. boven, p. 449.

191 Zoals bijv. Dibelius-Greeven doen, An die Kolosser-Epheser3, 1953.

192 Zo Lietzmann, a.w., p. 9; zie daarentegen echter ook Kümmel in de aan­tekeningen van hetzelfde geschrift.

193 Zie ook mijn Aan de Kolossenzen, 1960, p. 222 en vooral Delling, a.w., p. 84 e.v. Koole denkt wel aan psalmen uit het O.T., a.w., p, 60.

194 Vgl, Delling, a.w., p. 55 e.v.

195  Zie het boven (noot 163} genoemde opstel van Bornkamm, Das Ende des Gesetzes, 1952, p. 123 e.v.

196  Vgl. K. M. Hofmann, Philema hagion, 1938.

197 Zie hiervoor de genoemde speciale studies als van Koole en Delling, verder ook O. Cullmann, Urchristentum und Gottesdienst, 1956; A. Cole, The new Temple, 1950 e.a.


Responses

  1. Baie dankie, Slabbert. Dit bevestig maar net ons (die kerke van Christus) se geloof dat die erediens die samekoms van die hele gemeente is om die Here te dien in alles wat by so ‘n gemeentelike samekoms behoort. Maar Ridderbos se slordige hantering van Kol. 3:16 kan ek glad nie onderskryf nie (ek dink jy ook nie!). En ek het ‘n bietjie (nie-nader omskrewe) VGK-wantroue in Ridderbos en Berkhouwer! Groete van Marinus

    • Ek stem saam jou oor die Kol. 3:16 opmerking, ek is egter bly dat hy erkenning gee van die Psalms standpunt in voetnota 193, met verwysing na Koole se standpunt daaroor.

      Maar met die plasing van hierdie stuk van Ridderbos is die fokus nie op sy Psalm siening nie, maar meer oor die belangrikheid van publieke eredienste wat in ‘samekomste’ fisies moet voortgaan. Die ‘vergeesteliking’ van kerkwees ten koste van die plaaslike kerk hier en nou is tans ‘n groot probleem, soos gesien kan word hoe vinnig mense kerke ‘toemaak’ as mense so sê, ongeag God se duidelike bevele.

  2. Hallo Slabbert,

    Jy is net so vinnig!!

    Groete

    Willem Swanepoel


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Categories

%d bloggers like this: