Posted by: proregno | August 31, 2021

DIE GROOT VRAAG IS NIE: TREF PESSIEKTES ONS NIE, MAAR OF JY WARE RUS HET IN GOD MIDDE SIEKTE EN GESONDHEID??

DIE GROOT VRAAG IS NIE:

TREF PESSIEKTES ONS NIE, MAAR OF JY WARE RUS HET IN GOD 

MIDDE SIEKTE EN GESONDHEID?

Midde die vervalle tye wat ons beleef, veral ‘Jerusalem se mure’ (die kerk onder al die volke, Ps. 87) wat vervalle en leeg is, midde die hantering van die covid-virus en sy gevolge, ook veral hoe owerhede en kerke daarop gereageer het, is dit goed om ook in die lig van die Skrif, te leer uit die geskiedenis.

Ja, ons wil leer hoe gelowiges, voorgangers, deur die geloof, opgetree het in moeilike tye, ook in ‘pessiekte’ tye (Hebr. 13:7), sodat ons midde “reën en droogte, vrugbare en onvrugbare jare, voedsel en drank, gesondheid en siekte, rykdom en armoede en alles” sal aanhou daaraan vashou deur die geloof, dat alles “ons nie per toeval nie, maar uit sy Vaderhand toekom” (HK Sondag 9 en 10). En,  juis daarom sal (aanhou) bly by sy Woord, sy wet en evangelie (Op. 12:11,17), en Hom sal (aanhou) dien in dankbare gehoorsaamheid deur die krag van die Heilige Gees … ja, al is dit glad nie maklik nie, lees bv. weer Hebr. 10:25 (onder andere veral vir ons tye), in die lig van Hebr. 13:5-9, wat ook die onmiddelike konteks van Hebr. 13:7 is, waarom ons moet kyk na wat ander gelowiges ook deur die eeue, ‘deur die geloof in God’ en nie in aanskouing (van hul tye en tydsgees) gedoen het nie, lees Hebr. 10-13 as ‘n eenheid, vir bemoediging én vermaning.

Ek plaas daarom hier onder ‘n opsomming van Gomarus (groot voorstaander van die ware gereformeerde bybelse geloof en verdediger van die ware evangelie teen die dwalinge van Arminius daar aan die einde van die 16de begin 17de eeu) se pastorale passievolle arbeid teenoor sy leermeester, kollega en bloedverwant, Junius, wat oorlede is aan die ‘vreeslike pes’ in die jaar 1602 in Nederland. Mag die inhoud daarvan, asook Junius se belydenis op sy siekbed, ons vertroos en bemoedig om midde ons tye opnuut ons enigste troos en ware rus in die Here alleen te vind, en nie op prinse te vertrou nie (Ps. 146:3-5), midde alle tye.

Julle gedrag moet vry van geldgierigheid wees. Wees tevrede met wat julle het, want Hy het gesê: Ek sal jou nooit begewe en jou nooit verlaat nie. Daarom kan ons met alle vrymoedigheid sê: Die Here is vir my ’n Helper, en ek sal nie vrees nie; wat sal ’n mens aan my doen? Gedenk julle voorgangers wat die woord van God aan julle verkondig het; aanskou die uiteinde van hulle lewenswandel en volg hulle geloof na.” (Hebr. 13:5–7)

______________________________________________
DIE PES SPOT MET MEDISYNE MAAR DIE GELOWIGE SIEKE BERUS IN GOD

(Bron: Franciscus Gomarus, prof. dr. G.P. van Itterzon, 1930, p. 78-81, opskrif en beklemtonings bygevoeg.)

“De vreeselijke pest, die in het jaar 1602 zoo fel woedde, eischte ook aan de Leidsche academie haar slachtoffers. Twee theologische professoren, Lucas Trelcatius Sr. en Franciscus Junius bezweken mede aan de ziekte. Werd de eerste door Junius nog in een oratie herdacht, op den laatste werd de lijkrede gehouden door Gomarus, den eenig-overgebleven hoogleeraar. Deze rede werd in het auditorium der academie uitgesproken*. Als tekst koos hij Jes. 57:15**.

Na een korte inleiding wijst Gomarus er op, dat niemand zich zal verwonderen, dat juist hij het is, die thans Junius, zijn leermeester, bloedverwant en collega, de laatste eer bewijst. Een beschrijving van zijn leven behoeft hij niet te geven: men kan die lezen in de autobiographie van Junius, die Paulus Merula heeft uitgegeven. Daarom zal hij alleen spreken over Junius’ dood, voor de achtergeblevenen een zeer droevig feit, voor den ontslapene zelf een groot geluk. Dan houdt Gomarus eerst een uitvoerige beschouwing over het wezen van den dood. Hierbij bestrijdt hij de stelling der goddeloozen, dat de dood, ook als hij de vromen treft, een ramp, ja het einde van alle geluk zou zijn. Veeleer moeten zij gelukkig genoemd worden, die hun leven, dat zij van God ontvingen, standvastig verdedigen, totdat zij door den hoogsten Regeerder worden weggeroepen. Voor hen is de dood de leniging van alle smarten en de weg naar de zalige onsterfelijkheid. Zoo nu was ook het sterven van Junius, die door menschen uit vele landen geëerd werd.

De pest, waarmede God de goddeloozen slaat om hen terecht te kastijden en waardoor Hij de godvreezenden oefent om hen tot een beter leven te brengen, spaarde geen gezin. De besmettelijke ziekte tastte Junius aan, vóór men het groote gevaar had herkend en twee dagen later, Zondagmiddag 20 October, bleek het al duidelijk, dat hij tot de rust zijns Heeren zou ingaan. Hij was onbevreesd en merkte er de barmhartige hand des Heeren in op. Dienzelfden dag bezocht Gomarus hem. De doktoren Vorstius en Bontius dienden medicijnen toe. Ook dokter Pavius bracht hem een bezoek. Toen Gomarus van zijn medegevoel blijk gaf, sprak de zieke, mede in tegenwoordigheid van zijn zoon Johan Casimir, met rustig en kalm gelaat:

‘Het is nuttig, dat wij ons met een dankbaar hart onder de tuchtigende hand des Heeren voegen. Hij weet en schenkt wat voor ons heilzaam is.’

Den volgenden dag, Maandag, zoo verhaalt Gomarus ziekte zeer toegenomen en blijft Junius aan zijn bed gebonden. Des Dinsdags is deze nog weer verergerd; de pest spot met ieder medicijn. Doch de zieke blijft berusten in zijn God en Heiland, de onwrikbare rots, waarop de golven der ziekte breken, want als Gomarus hem tegen den middag bezoekt en enkele troostwoorden spreekt, antwoordt Junius, dat hij rust in God, die, tot Zijn eer, wat heilzaam is, barmhartig zal volbrengen.

Zoo blijft hij rustig, ook als de ziekte voortdurend toeneemt.

In den nacht van Dinsdag op Woensdag, als het buiten stormt en het lijden zwaarder wordt, roept Junius’ vrouw Gomarus om haar man te vertroosten. Gomarus gaat, doch de nachtlucht doet hem geen goed; hij zelf moet medicijnen gebruiken en dien Woensdag in huis blijven. Toch wil hij zijn plicht niet verzuimen. Daarom verzoekt hij Lucas Trelcatius Jr. dien dag in zijn plaats te gaan. Deze voldoet aan dit verzoek gewillig, maar wordt niet toegelaten. De ziekentrooster is er juist en Junius’ vrouw wenscht geen onnoodig bezoek uit vrees voor verdere besmetting. Niet zoodra is Gomarus ter oore gekomen, dat Trelcatius niet tot den zieke is toegelaten, of hij gaat zelf, al is het weder ook guur, om zijn bloedverwant niet alleen te laten.

Hij treft alleen Junius’ zoon bij den zieke aan, wiens krachten zijn opgeteerd. Gomarus wijst er op, dat niet veel woorden noodig zijn. Wat de zieke zoovele malen anderen heeft voorgehouden, moet hij nu op zichzelven toepassen, om in tegenspoed versterkt te worden. Laat hij niet vergeten, dat God zijn genadige Vader in de hemelen is, Christus zijn Zaligmaker, de hemel zijn vaderland en erfenis, de H. Geest zijns harten onderpand en de dood de weg tot den hemel en het eeuwige leven. Dit geloof en die hoop moeten hem steunen.

Junius is op dit alles gerust en maakt zich voor de groote reis gereed.

Wanneer Gomarus hem vraagt, of hij hem met betrekking tot zijn kinderen of tot iets anders nog iets op te dragen heeft, antwoordt Junius, dat hij thans aan de vergankelijke dingen weinig meer denkt. Eén ding wil hij echter nog zeggen, nl. dat hij al zijn krachten voor het algemeen welzijn heeft besteed. Hij ziet, dat de theologische faculteit voor groote moeilijkheden komt te staan.

Laat Gomarus dus nauwgezet en trouw zijn plicht doen en, als Staten of Curatoren hem in hun vergadering roepen, of als zich een andere gelegenheid voordoet, om met hen te spreken, oprecht zijn meening te kennen geven en hun vragen, om in hun zorg voor faculteit en academie het belang der universiteit niet voorbij te zien. Het andere het hij aan Gods voorzienigheid over.

Kort daarop gaf hij den geest. ….”

_________________________________

* Verscheen in druk bij Christophorus Guyotius te Leiden (1602) onder den titel: “FRANCISCT GOMARI ORATIO FUNEBRIS, IN Obitum nobilitate, doctrina et pietate, celeberrimi viri, D. FRANCISCI IUNII, Theologi eximij, ductoris ac Doctoris in Academia et Ecclesia Leydensi praestantissimi: Habita a funere, in auditorio publico Academiae Leydensis, die VII Kal. NoveMbris, Anno MDCII”.

** In die boek word Jes. 57:5 vermeld, maar dit lyk of dit eerder v. 15 moet wees?


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Categories

%d bloggers like this: