Posted by: proregno | February 22, 2021

aBrakel oor die bediening van die Genadeverbond, die Sinaitiese verbond se verhouding tot die Genadeverbond en die vierde gebod

aBrakel oor die bediening van die Genadeverbond,

De bediening van het Genadeverbond tot de voleinding der wereld

deur Wilhelmus aBrakel

[Bron: met erkenning oorgeneem uit, Halleluja of lof des Heeren over het genadeverbond. Sommige opskrifte is bygevoeg]

Van Christus tot de voleinding van der wereld

Nu we de bediening van het Genadeverbond van Adam tot Abraham en van Abraham tot Christus bezien hebben, sla nu uw oog ook eens op de bediening ervan in het Nieuwe Testament, van Christus tot de voleinding der wereld. Na de veelvuldige beloften en het uitzien der gelovigen is de Heere Jezus Christus ten slotte in de wereld gekomen:

Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet (Gal. 4:4);

God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid (1 Tim. 3:16).

God voortijds veelmaal en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon; Welken Hij gesteld heeft tot een Erfgenaam van alles, door Welken Hij ook de wereld gemaakt heeft; Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven teweeggebracht heeft, is gezeten aan de rechterhand der Majesteit in de hoogste hemelen (Hebr. 1:1,2,3).

Zodat wij nu zien Jezus met heerlijkheid en eer gekroond, Die een weinig minder dan de engelen geworden was, vanwege het lijden des doods (Hebr. 2:9). Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben (1 Kor. 15:25).

Deze staat van de Kerk in het Nieuwe Testament, die genoemd wordt het ‘Koninkrijk der hemelen’, munt zeer hoog uit in heerlijkheid en voortreffelijkheid boven alle vorige tijden der Kerk. Deze heerlijkheid is in deze vier voorrechten te zien:

I. Die verskil tussen die bediening van die ou en nuwe verbond
In het Oude Testament vond de godsdienst plaats door lichamelijke, zichtbare zaken, die de komende Messias afschaduwden, of die louter zegeningen waren, omdat de gelovigen erdoor onderwezen werden in de verborgenheden van het Evangelie. Voor die tijd en wijze der bedeling waren ze, ten opzichte van dat werk, een zwaar juk, een juk der dienstbaarheid. Wat was er een verscheidenheid van plichtplegingen, een smartelijkheid bij de besnijdenis, een gedurig de wacht houden ten aanzien van raak niet of smaak niet, zoveel lichamelijke verontreinigingen, en dan weer wassingen, offeranden, waarin op zichzelf geen kracht was tot wegneming van de zonden, slechts arme beginselen, enz.

Maar in het Nieuwe Testament zijn al die dingen vernietigd, en in plaats van al die lichamelijke diensten heeft de Heere een geestelijker, verhevener, onzichtbaarder, onmiddellijker dienst ingesteld. Men is nu niet meer aan een plaats gebonden; men gaat nu niet meer door schaduwen tot de zaak, maar de ware aanbidders aanbidden de Vader in Geest en waarheid (Joh. 4:23). Nu mogen we, met voorbijgaan van alle aardse dingen, gelijk het heiligdom binnengaan,

Hebr. 10:19-22: Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben, om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, op een versen en levenden weg, welke Hij ons ingewijd heeft door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees; en dewijl wij hebben een groten Priester over het huis Gods; zo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade consciëntie, en het lichaam gewassen zijnde met rein water.

Kol. 2:16,17: Dat u dan niemand oordele in spijze of in drank, of in het stuk des feestdags of der nieuwe maan of der sabbatten; welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Wij zijn tot vrijheid geroepen… alleenlijk gebruikt de vrijheid niet tot een oorzaak voor het vlees (Gal. 5:13).

2. Die vervulling en uitbreiding van die verbond van onder een na onder alle volke

Hoewel de Kerk voor de roeping van Abraham uit alle natiën zonder onderscheid bestond, toch was er weinig uitbreiding en heerlijkheid. Goddeloosheid en afgoderij overstroomden alles. Maar na de roeping van Abraham scheidde de Heere alle natiën van Zich af, en liet ze in hun wegen wandelen. Maar Hij maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen zij niet (Ps. 147:19,20). Maar na de komst van de Heere Jezus is dat onderscheid tussen de landen weggenomen. Maar in allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam (Hand. 10:35). Paulus zegt hiervan in Ef 2:13 en 14:

Maar nu in Christus Jezus zijt gij, die eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. Want Hij is onze Vrede, Die deze beiden één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende enz.

Het was voorzegd in Gen. 49:10: Denzelven zullen de volkeren gehoorzaam zijn.

Ja (de boeken van) Mozes, de Psalmen en de Profeten staan vol met de roeping der heidenen, en zie, zoals het geprofeteerd was, zo is het ook vervuld; wij zijn er getuigen van. Eerst werd het Evangelie van het Koninkrijk wel (alleen) aan de Joden verkondigd, maar toen zij het verwierpen, werd het tot de heidenen gebracht, Hand. 13:26,46,47,48:

Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwige levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich.

En daarna is hun geluid over de gehele aarde uitgegaan en hun woorden tot de einden der wereld (Rom. 10:18).

Iemand zou kunnen denken: Waarom Abraham een erfgenaam der wereld, een vader van vele volkeren en der gelovigen genoemd, daar Henoch en Noach voor Abraham geleefd hebben en gelovige en heilige mensen bij uitnemendheid waren en Abraham en de Messias toch uit hen zijn voortgekomen?

Maar hoe? Zijn wij dan door de dienst van Abraham bekeerd, en niet door de dienst van Henoch en Noach? Omdat het geloof en het Evangelie door hen niet voortgeplant zijn, maar wel door Abraham. Abrahams vader en zijn geslacht waren afgodendienaars (Joz. 24:2).

God roept Abraham zonder middel en openbaart Hem de komende Middelaar, en dat Deze uit hem zou voortkomen. Hij beveelt hem, dat hij zijn kinderen deze verborgenheden zou leren, waarin hij ook getrouw door God werd onderwezen (Gen. 18). Hij belooft dit ook te zegenen, zodat ook de heidenen door zijn dienst bekeerd, en zo naar de Geest zijn kinderen zouden worden. Zo is het Evangelie voortgeplant in zijn zaad, en door zijn zaad op de heidenen, en zo is het ook tot ons gekomen, zodat wij, als wij opklimmen tot hen, door wie wij tot de kennis en de liefde van het Evangelie zijn gekomen, moeten uitkomen bij Abraham.

Daar wordt het afgebroken; zijn vader was afgodendienaar, en hij werd op buitengewone wijze door God geroepen. Paulus zegt, Rom. 9:7:

Noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar: In Izaâk zal u het zaad genoemd worden; dat is, niet de kinderen des vleses, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend; Gal. 4:28: Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Izak was.

3. Die Gees was reeds teenwoordig in die ou verbond, maar word nou ryker en oorvloediger uitgestort in die nuwe verbond

Hoewel in het Oude Testament de Geest der aanneming tot kinderenen wel was, nochtans was alles toen schaarser, en minder personen hadden er deel aan in ruime mate, en die er al deel aan hadden, die hadden weinig van deze goederen. Maar in het Nieuwe Testament geeft God alles overvloediger. Wij lezen van de overvloediger mate van de Heilige Geest, Jes. 44:3,4:

Want Ik zal water gieten op den dorstige en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten en Mijn zegen op uw nakomelingen.

En zij zullen uitspruiten tussen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken; Joël 2:28: Daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees enz. Toen Christus kwam, heeft Hij met deze Geest Zijn kinderen gedoopt (Matth. 3:11). Deze Geest heeft Hij ook na Zijn hemelvaart rijk over hen uitgegoten (Tit. 3:6).

Hieruit komt ook een meerder mate van licht voort, naar de profetieën in Jes. 11:9:

Want de aarde zal vol van kennis des HEEREN zijn, gelijk de wateren de bodem der zee bedekken, en volgens het getuigenis van Johannes,

1 Joh. 2:27: En de zalving, die gijlieden van Hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zo is zij ook waarachtig. Hieruit komt ook een uitnemende heiligheid voort,

Jes. 60:21,22: En uw volk zullen altezamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten; zij zullen zijn een spruit Mijner plantingen, een werk Mijner handen, opdat Ik verheerlijkt worde. De kleinste zal tot duizend worden, en de minste tot een machtig volk; Ik de HEERE, zal zulks te zijner tijd snellijk doen komen.

Hieruit komt een nabijer en vertrouwelijker omgang met God voort, Hebr. 4:14,16:

Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo… laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

Hier komt ook meer troost en vrede in de ziel uit voort, Jes. 54:13: Al uw kinderen zullen van de HEERE geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn, Ps. 72:7: In Zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.

4. Die voorregte en seëninge van die nuwe verbond 

In het Oude Testament was de gehele bediening strenger, en op een meer wettische wijze; maar in het Nieuwe Testament is ze zoeter en evangelischer; zie de vergelijking in Hebr. 12:18-22:

Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder…. Maar gij zijt gekomen tot den berg Sion, en de stad des levenden Gods, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen.

Zo is op de dagen van het Nieuwe Testament in het bijzonder van toepassing: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen, die vrede verkondigen, dergenen, die het goede verkondigen(Rom. 10:15)!

Deze en andere zijn wel de voorrechten van de dagen van het Nieuwe Testament, in zoverre het de mate betreft; maar die goederen werden in alle dagen en over alle gemeenten van het Nieuwe Testament niet in gelijke mate uitgestort. Maar de ene tijd kreeg er wel meer van dan de andere, en soms kreeg een gedeelte van de Kerk op de ene plaats wel meer, terwijl de Kerk op andere plaatsen in schaarsheid leefde.

Het heeft God behaagd dat ook de Kerk van het Nieuwe Testament een strijdende Kerk zou zijn. Toen de apostelen op de Pinksterdag met de Heilige Geest werden vervuld, toen werd de hele stad beroerd. De mensen, die uit allerlei delen der aarde in die tijd te Jeruzalem waren, en die dingen gehoord hadden, verkondigden het ieder in zijn land. De apostelen verspreidden zich kort daarna onder de heidenen, en reisden naar alle streken: het oosten en het westen, het noorden en het zuiden. Zij vervulden de gehele wereld met het geluid van het Evangelie en stichtten overal gemeenten. Zo werd de profetie van Ps. 2:8 vervuld: Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting; Ps. 72:8: Hij zal heersen van de zee tot aan de zee en van de rivier tot aan de einden der aarde.

Die kerklike stryd tot die voleinding van die wêreld

Maar de duivel zat niet stil. Hij stookte zijn onderdanen op, richtte verschrikkelijke, zowel bijzondere als algemene, vervolgingen aan om de naam van Christus en van de Christenen te smoren. Ja, hij zocht zijn onderdanen zelfs in de gemeente te krijgen, en door hen verwekte hij binnen de gemeente zelfs allerlei dwalingen en ketterijen. Zo had de Kerk van buiten en van binnen te strijden, waardoor de loop van het Evangelie gestuit werd, en de waarheid uit Afrika en Azië verdreven, hoewel er tot op deze huidige dag nog overblijfselen van het Christendom achter zijn gebleven, hoewel geheel vervallen en bedorven.

In Europa kreeg de Kerk door Constantijn de Grote wel vrijheid en vrede van buiten, maar aan de ene kant kwam de wereld toen met geweld in de Kerk, en aan de andere kant groeide de Antichrist sterk, totdat hij macht verkregen had, alles overheerste en door zijn valse leer de Kerk in een Babel veranderde, zodat de Kerk vele honderden jaren in een ellendige en droeve toestand heeft verkeerd. Evenwel kende God de Zijnen en deed Hij nu en dan, hier en daar getuigen der waarheid spreken, totdat het licht met kracht doorbrak. Door middel van Zwingli, Luther, Calvijn en anderen begon de Kerk weer te bloeien; maar het vergieten van het Christenbloed hield niet op, totdat God de ziel van Zijn tortelduif uit de klauwen van dat beest, die hoer van Babel, rukte, die dronken geworden was van het bloed der heiligen. Maar toen de Kerk meer vrijheid en veiligheid van buiten verkreeg, hield de duivel niet op met door allerlei ketterijen en dwalingen de Kerk te verontrusten. De ene was zo snel nog niet ontdekt en overwonnen, of de andere kwam weer te voorschijn: zo is het gegaan tot op de huidige dag. En wat er nog zal gebeuren, dat weten wij zo zeker niet, maar dit weten wij wel, dat het een strijdende Kerk zal blijven, zolang als de wereld bestaat.

Maar de Heilige Schrift spreekt duidelijk van de val van de Antichrist vooral in Openb. 18 – die wij zeker verwachten.

Ook spreekt de Heilige Schrift duidelijk over de bekering van de Joden, o.a. in Rom. 11:25,26,27:

Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. En alzo zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob. En dit is hun een verbond van Mij, als Ik hun zonden zal wegnemen.

En hoewel wij noch tijd, noch plaats, noch mate durven bepalen, toch menen wij, dat Gods Kerk, na de val van de Antichrist, uitnemender heerlijk zal zijn dan in vorige tijden. Zie o.a. Rom. 11:12,15:

En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hun vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hun volheid!… Want indien hun verwerping is de verzoening der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

Hier wordt gesproken over het voordeel, dat de verstoting en wederaanneming der Joden de heidenen zou toebrengen. Voor wie de val en verwerping van de Joden een rijkdom en verzoening bracht, zou de volheid en aanneming van de Joden ook tot rijkdom en leven uit de doden zijn. Nu voor de heidenen was de val en de verwerping en vermindering van de Joden tot rijkdom en verzoening. Zo zou de volheid en aanneming der Joden hun ook tot rijkdom en leven uit de doden zijn. Hoe is het Joodse volk toegenomen! De drie werelddelen krioelen van Joden. Als zij eens tezamen de Heere Jezus zullen aannemen, en God over dat volk Zijn gaven en genaden zeer overvloedig zal uitstorten, tot geloof en heiligmaking, wat zal de Kerk dan uit een machtig volk bestaan en uit een ontelbare menigte van lidmaten! En hoe kan het anders, of hun licht en vuur zal onder de heidenen aan alle kanten doorbreken. O wenselijke zaak!

Vergelijk nu deze drie perioden met elkaar, en beschouw hoe heerlijk de laatste is boven de twee eerste en houdt in gedachten dat wij in de laatste en gelukzaligste tijden leven. Verblijd er u over. O hoe verlangden de gelovigen van het Oude Testament naar deze tijd, hoe profeteerden ze ervan, hoe baden ze erom, hoe zong de gemeente ervan in verschillende Psalmen.

En nu ze aangebroken zijn, zou ons hart nu zijn alsof er niets bijzonders gebeurd was, zou ons hart niet eens verwijd worden?

Dank en verheerlijk God erover. Indien de oude gemeenten God dankten en loofden vanwege de schaduwdienst en zich niet konden verzadigen in deze te betrachten, hoe vrolijk moesten wij dan de Heere prijzen, en die ondenkbare genade erkennen, die ons meer dan hun, en boven het huidige heidendom overkomt.

Wandel nu in dat licht.

Komt, gij huis Jakobs, en laat ons wandelen in het licht des HEEREN (Jes. 2:5). Wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt (Ef 4:1). Zo hebben wij ook de bediening van het verbond der Genade in het algemeen beschouwd.

Samenvatting van enkele vragen

(De volgende vragen zijn door Brakel uitvoerig behandeld na zijn praktikale verhandeling over het Genadeverbond. De antwoorden zijn beknopt samengevat. De Bijbelse bewijzen, tegenwerpingen en weerleggingen zijn weggelaten. Zie voor de motivatie hiervan de Inleiding.)

Vraag IIs het Oude Testament gefundeerd in de belofte en de erfenis van Kanaân, en vindt dit een begin bij de uittocht uit Egypte, of bij Sinai? Of wordt het Oude Testament, dat toch het Verbond der Genade is, ‘oud’ genoemd ten opzichte van de bediening en is het begonnen bij de eerste Evangelieverkondiging in het Paradijs?

Antwoord: Het Oude Testament vindt zijn grond niet in de erfenis van Kanaân. Het is bij Adam begonnen en vindt zijn oorsprong niet aan de Sinaï.

Vraag 2Is het Verbond, dat op Horeb gesloten werd, een Verbond der werken?

Antwoord: Het Verbond op Sinaï is geen Verbond der werken, maar alleen de wet behelst de eis van het Verbond der werken. De wet werd hun echter gegeven als tuchtmeester tot Christus.

Vraag 3Is het Verbond op Sinaï een gemengd Verbond en ten dele uit het Verbond der werken en ten dele uit het Verbond der Genade samengesteld?

Als het Verbond op Sinaï een gemengd Verbond was geweest, dan zouden de werken en het geloof de voorwaarden zijn voor het Verbond; zij zijn echter geen voorwaarden. maar kenmerken van een ware bondgenoot.

Vraag 4Is het Verbond, dat op Sinaï met Israël gesloten werd, en dat tot de tijd van Christus bleef bestaan, alleen een uiterlijk Verbond en wezenlijk te onderscheiden van het Verbond der Genade? Of is het Verbond der Genade (toen) op een uiterlijke wijze bediend? 

Het woord ‘verbond’ wordt in de Bijbel ook gebruikt voor omstandigheden, die een kenmerk vertonen van een wezenlijk verbond, zonder zelf een verbond te zijn. Zo wordt ook de bediening van het verbond wel ‘verbond’ genoemd, terwijl het dikwijls slechts een zegel betreft bijvoorbeeld de besnijdenis – tot bevestiging van het Verbond. Maar als er van het Verbond op Sinaï sprake is, is er geen sprake van een uiterlijk verbond dat in wezen onderscheiden is van het Genadeverbond. Het spreken over een uiterlijk verbond, dat God zou sluiten, is in strijd met Gods recht, dat in alles oprechtheid en volkomenheid eist. Hijzelf is in alles ook oprecht, en handelt in alles volkomen goed.

Vraag 5Zijn de ceremoniën van het Oude Testament enkel zegeningen Gods, of zijn ze opgelegd als strafvoor het gouden kalf?

Vraag 6Hebben de gelovigen in het Oude Testament volkomen vergeving van zonden en verzoening met God gehad, de Geest der aanneming tot kinderen en ware vrede in het geweten door Jezus Christus als hun volkomen Borg, door een waarachtig geloofaangenomen? Ofzag God hun zonden door de vingers en liet Hij hen in een onverzoende staat blijven onder schuld, toorn en vloek? Verweet Hij hun de onbetaalde schuld, die Hij telkens weer eiste door hun een handschrift (der zonde) te doen voorkomen,en deed (God) hen onder de engelen, priesters, overheden en de duivel in schrik en beven en in vreze des doods leven, totdat Christus door Zijn dood alles dadelijk volbracht had?

De gelovigen in het Oude Testament hebben volkomen vergeving der zonden en verzoening met God gehad, evenals de Geest der aanneming tot kinderen en de vrede en blijdschap van het geweten.

Vraag 7Is de zevendaagse sabbat, die in het vierde gebod wordt voorgesteld en een heilige rust eist – dat is een blijde verlustiging in God door Hem zowel in het bijzonder als in het openbaar in Zijn werken te verheerlijken, waarbij lichamelijke bezigheden, uitoefening van het beroep of dienstwerk stil liggen – behoort deze zevendaagse sabbat tot de ceremoniële wet, die alleen aan Israël is gegeven, en in Christus is vervuld en teniet gedaan, of behoort ze tot de onveranderlijke regel van een heilig leven, zoals andere geboden van de wet, en verplicht ze alle mensen van alle eeuwen op de geheIe aarde?

Antwoord: De zevendaagse sabbat behoort tot de onveranderlijke regel van een heilig leven, evenals de andere geboden van de wet, en verbiedt alle mensen van alle eeuwen op de gehele aarde. Zij behoort in haar aard niet tot de ceremoniën, is niet aan Israël alleen gegeven, en is in Christus niet vervuld als ware het een schaduw, en te niet gedaan.
______________________________________

Sien aBrakel se standaardwerk, De Redelijke Godsdienst, hier in Nederlands en Engels.


Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.

Categories

%d bloggers like this: